Ga naar de sitemap om verder te navigeren Spring direct naar de inhoud

homepage cao politie

FAQ Roadshow LSS

Vragen en antwoorden Q en A Roadshow Landelijks Sociaal Statuut (LSS)

Algemeen
Melding reorganisaties (artikel 4 LSS, artikel 55j Barp)
Reorganisatieplan (artikel 7 LSS)
De PAC (artikel 8 t/m 10 LSS)
Plaatsing (artikel 11 t/m 15 LSS)
Vacatures (artikel 17 t/m 20 LSS)
Toepassing voorzieningen (artikel 21 LSS)
Opleidingskosten (artikel 23 LSS)
Stimuleringspremie (artikel 25 LSS)
Reiskosten (artikel 26 LSS)
Kwijtschelding terugbetalingen (artikel 28 LSS)
Remplaçantenregeling (artikel 30 LSS)
Ontheffing van werkzaamheden (artikel 31 LSS)
Terugkeergarantie (artikel 33 LSS)
Gelding (artikel 35 LSS)
Wet- en regelgeving
Berekening reistijd passende functie in het kader van een reorganisatie


Algemeen

  1. Waarin verschilt het LSS wezenlijk ten opzichte van de RSS-en?
    Formeel verschil is dat het LSS een landelijke regeling is. Inhoudelijk is op deze vraag geen antwoord te geven. Er is bij het opstellen van het LSS geen onderzoek gedaan naar de verschillen en overeenkomsten met de regionale statuten.

  2. De doelstelling van het LSS is dat er geen ontslagen vallen bij executieven en ATH personeel, hoe gaan we hier met de bezuinigingen in de diverse korpsen mee om?
    De doelstelling van het LSS is in de Packagedeal en in de toelichting op het LSS niet omschreven. Grof gezegd is het doel eenheid en gelijkheid binnen de politie te creëren en werkgelegenheid te behouden. Juist in tijden van bezuinigingen is dit belangrijk. Bijvoorbeeld de introductie van de landelijke voorrangspositie voor (pre)herplaatsingskandidaten en de inrichting van een Mobiliteitscentrum zijn hierop gericht. Wat in elk geval op grond van het Barp vaststaat is dat op dit moment ontslag van een politieambtenaar pas mogelijk is 5 tot 9 jaar na de aanwijzing als herplaatsingskandidaat.

  3. Wat moeten we doen met bovenschaligen (ambtenaren die een salaris ontvangen op grond van een hogere schaal dan dat hun functie is gewaardeerd)? Behouden die hun rechtspositie?
    Ja, zij behouden hun rechtspositie. Dit is een afspraak die is gemaakt tussen partijen en is vastgelegd in artikel 27, 1e lid van het LSS. In deze wordt ook verwezen naar vraag 12 onder ‘Plaatsing’.

  4. Wat is de definitie van buiten/boven formatief?
    Er is geen definitie c.q. beschrijving van buiten/boven formatief. Met buiten/boven formatief wordt meestal bedoeld dat de betrokken ambtenaar werkzaamheden vervult die (nog) niet zijn vervat in een functie die in de formatie van het korps voor komt of indien er sprake is van meer ambtenaren dan het aantal beschikbare fte ruimte. In het Barp kennen we alleen de termijn ‘boventallig” (artikel 55l).

  5. Iemand vindt werk buiten de politie. Wordt in het LSS rekening gehouden met eventuele pensioenderving.
    Nee, er is geen voorziening opgenomen voor pensioenderving.

terug naar boven

Melding reorganisaties (artikel 4 LSS, artikel 55j Barp)

  1. Welke handelwijze moet gevolgd worden wanneer de reorganisatie 20 of minder  medewerkers betreft?
    De reorganisatie moet altijd gemeld worden bij de Adviescommissie melding voorgenomen reorganisatie. Een korps kan op grond van artikel 8 van het LSS een verzoek doen aan de minister van BZK om ontheven te worden van de verplichting tot het instellen van een PAC. De minister zal vervolgens een beslissing nemen doch niet eerder dan nadat hij deze Adviescommissie om advies heeft gevraagd. Het is raadzaam om dit verzoek tegelijkertijd te doen met de melding van de voorgenomen reorganisatie.

  2. Wat is een reorganisatie?
    De definitie van reorganisatie is in artikel 55i. van het  Barp opgenomen, en wordt ruim uitgelegd. Er wordt geadviseerd om elke vorm van reorganisatie, hoe klein, of weinig omvangrijk deze ook lijkt, toch te melden. Een melding die compleet is, overzichtelijk en  is voorzien van de juiste toelichting kan dan snel worden afgewikkeld.

  3. Welke reorganisaties moeten gemeld worden?
    Alle reorganisaties worden gemeld die vallen onder de ruime interpretatie van de definitie van artikel 55i. van het Barp. In de praktijk worden naast de term reorganisatie ook bijvoorbeeld de termen gehanteerd als wijziging van de  werkprocessen, doorontwikkeling etc. etc..

  4. Kan de reactie (= het advies) van de OR tijdig meegezonden worden als de adviesaanvraag gelijktijdig is aan de aanvraag om advies bij de adviescommissie? Kan de parallelle procesgang goed verlopen?
    Het uiteindelijke definitieve advies van de OR kan  worden nagestuurd aan de Adviescommissie. Het voordeel hiervan is dat de Adviescommissie in een vroeg stadium de melding en de bijbehorende andere documenten van een korps kan bezien. Uiteraard zal de Adviescommissie pas een advies uitbrengen aan de CGOP nadat de cie. beschikt over het definitieve advies van de OR en de reactie daarop van het bevoegd gezag. Bij complexe reorganisaties is het raadzaam om het advies van de OR af te wachten voordat er een melding wordt gedaan aan de minister van BZK door tussenkomst van de Adviescommissie. Het advies van de OR kan aanleiding zijn voor het bevoegd gezag om bijvoorbeeld het tijdpad aan te passen, dan wel bepaalde inzichten te herzien, waardoor het uiteindelijke beoogde resultaat van de reorganisatie bijgesteld moet worden.

  5. Moet je melden als de werkprocessen wijzigen en waarbij er geen personele gevolgen zijn?
    Ook dit moet gemeld worden in verband met de ruime interpretatie die er wordt gegeven aan de omschrijving van het begrip reorganisatie. Mocht de CGOP na het bezien van de ontvangen stukken van oordeel zijn dat er geen sprake is van een reorganisatie, dan zal de CGOP snel met dit oordeel komen.

  6. Wanneer moet je een reorganisatie melden bij de CGOP?
    In zijn algemeenheid wordt aangegeven dat men een voorgenomen reorganisatie “tijdig”moet melden. In het Protocol melding voorgenomen reorganisaties (pdf, 73 K) wordt als “tijdig” aangemerkt als men de melding doet tegelijkertijd met de adviesaanvraag aan de OR.
    In het LSS vindt men in artikel 4 ook de verplichting dat een voorgenomen reorganisatie tijdig moet worden gemeld. Daarvan is sprake als men meldt voordat er sprake is van onomkeerbare personele gevolgen. Met andere woorden de melding moet worden gedaan op het moment dat er nog geen voorgenomen individuele besluiten zijn genomen op basis van een concept personeelsplaatsingsplan.

  7. Is er een best-practice voor een was-wordt lijst en wordt die lijst beschikbaar gesteld?
    Het voornemen is om gemelde reorganisaties die zijn gedaan en afgewikkeld op de site van www.cao-politie.nl  te plaatsen. Ook het bijbehorende advies van de Adviescommissie en de bevindingen van de CGOP over de gedane voorgenomen melding zullen op die site worden gepubliceerd. Zie als best-practice van een “was-wordt” lijst het volgende voorbeeld.

  8. Wanneer kan door de CGOP een reorganisatie worden terugverwezen naar de Adviescommissie?
    Er kan sprake zijn van een “terugverwijzing”naar de Adviescommissie als bijvoorbeeld de CGOP van oordeel is dat zij niet over alle relevante informatie beschikt, of als er nader onderzoek verricht moet worden of als er nadere informatie bij het korps opgevraagd moet worden.

  9. Waar zijn het Meldingsformat en het Meldingsprotocol te vinden?
    De Regeling melding voorgenomen reorganisaties van 20 juli 2007, bevat deze twee bijlagen. Deze is te vinden op www.cao-politie.nl. Download de regeling (pdf, 73 K)

  10. Wat gebeurt er als de reorganisatie niet wordt gemeld maar wel het LSS wordt toegepast?
    Deze situatie kan c.q. mag zich niet voordoen. In formele zin zou er dan geen sprake zijn van een reorganisatie en zouden dus ook niet de flankerende voorzieningen uit het LSS kunnen worden toegepast. Het advies is derhalve: bij twijfel altijd melden.

  11. De 20 medewerkers waarover gesproken wordt in art. 8 LSS (ontheffing instelling PAC), is dat de “was” of de “wordt” situatie
    Onder verwijzing naar artikel 8 van het LSS: er dient uitgegaan te worden van het aantal ambtenaren voor wie de reorganisatie rechtspositionele gevolgen heeft. Een voorbeeld: het bevoegd gezag kan voor een reorganisatie van een onderdeel waarin 100 ambtenaren werkzaam zijn het verzoek doen om ontheven te worden van de verplichting een PAC in te stellen, als de reorganisatie slechts voor 20 of minder ambtenaren rechtspositionele gevolgen heeft. Zie verder de toelichting bij artikel 8 van het LSS.

  12. In hoeverre kan voor de melding van een reorganisatie in de communicatie naar de medewerkers voor zijn.
    Het personeel kan/moet in het gehele proces worden meegenomen. In artikel 24 van de WOR is bepaald  dat tenminste tweemaal per jaar de algemene gang van zaken van i.c. de onderneming (lees: het korps) wordt besproken. In dat kader worden er mededelingen gedaan over besluiten die in voorbereiding zijn die betrekking hebben op aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 25 (adviesrecht) en 27 (instemmingsrecht)van de WOR.

  13. Wanneer is er sprake van voorbereiding van een reorganisatie?
    Een duidelijk formeel moment is wanneer er in de OR een adviesaanvraag ligt over een voorgenomen reorganisatie. In de fase voor de adviesaanvraag zijn er uiteraard vooroverleggen met de OR die als een voorbereiding kunnen worden gezien.

terug naar boven

Reorganisatieplan (artikel 7 LSS)

  1. Wat wordt bedoeld met functie in artikel 7?
    In artikel 7 wordt met functie bedoeld: de organieke functie. Of ook wel: formatieve functie genoemd. Met organieke / formatieve functie wordt bedoeld de formeel vastgestelde en gewaardeerde functie.

  2. Wat omvat het reorganisatieplan?
    In artikel 7 van het LSS staat omschreven wat een reorganisatieplan in moet houden.

terug naar boven

De Plaatsings adviescommissie (PAC) (artikel 8 t/m 10 LSS)

  1. Vanaf wanneer gaat de PAC aan de slag? In artikel 8 van het LSS is bepaald dat het bevoegd gezag een PAC instelt. De PAC kan zijn werkzaamheden aanvangen vanaf het moment dat de reorganisatie start. Op grond van artikel 7 LSS dient het bevoegd gezag de ingangsdatum van de reorganisatie te melden. Dit is dus het moment vanaf wanneer de PAC feitelijk aan de slag gaat. Immers de PAC organiseert de belangstellingsregistratie en adviseert aangaande het concept plaatsingplan op grond waarvan het bevoegd gezag de voorgenomen besluiten ten aanzien van de individuele ambtenaar neemt.

  2. Wie levert de vakbondsvertegenwoordiging in de PAC?
    De vakbonden leveren hiervoor mensen. Zodra er een PAC t.b.v. een reorganisatie ingesteld moet worden, dan dient het korps aan het CGOP een verzoek te doen om zorg te dragen voor levering van een PAC kandidaat. De vakbonden kunnen daarbij aangeven dat de kandidaat alleen voor die reorganisatie wordt aangewezen. Daarnaast geldt dat alle reeds bestaande PAC’s van voor 2 maart 2010 niet automatisch overgaan naar een PAC zoals bedoeld in het LSS. Ook hiervoor geldt dat het korps een verzoek aan het CGOP dient te doen. Overigens geldt het hiervoor gestelde ook voor de externe voorzitter van het PAC. Immers die wordt benoemd op gezamenlijke voordracht van het bevoegde gezag en de politievakorganisaties.

  3. Hoe gaat de PAC om met de belangstellingsregistratie?
    In het LSS artikel 9 lid 4 staat verwoord dat de PAC haar eigen reglement van orde en werkwijze vaststelt. De PAC kan over de schriftelijke belangstellingsregistratie aspecten opnemen in het hiervoor bedoelde reglement.

  4. Wie voert er nu met de medewerker gesprekken: het bevoegde gezag of de PAC?
    Het bevoegde gezag kan altijd met een medewerker informeel in gesprek gaan. In het LSS is geregeld dat de PAC het gesprek met de medewerker voert aangaande de reorganisatie. Hier is bij de vaststelling van het definitieve LSS bewust de keuze in gemaakt. Iedere ambtenaar kan zijn vinger opsteken om een gesprek met de PAC aan te gaan. Indien er op grond van artikel 8 van het LSS geen PAC is, dan wordt de taak van het PAC overgenomen door het bevoegde gezag.

  5. Hoeveel weken heeft de PAC om haar werkzaamheden te verrichten?
    Vanaf het moment van de start van de reorganisatie tot het moment dat de PAC het bevoegd gezag heeft geadviseerd over de zienswijzen die zijn ingebracht op grond van de voorgenomen plaatsingen. Daarbij dient opgemerkt te worden dat de PAC 7 weken heeft nadat de voorgenomen plaatsingen zijn bekend gemaakt om de hierop ingebrachte zienswijzen te behandelen.

  6. Als de PAC de zienswijzen heeft behandeld, wat gebeurt er dan?
    Het bevoegd gezag dient naar aanleiding van de zienswijzen en de adviezen hierin van de PAC het personeelplaatsingsplan vast te stellen. Op grond van het vastgestelde personeelplaatsingsplan wordt door het bevoegd gezag de besluiten tot plaatsing (als functievolger) of aanwijzing herplaatsingskandidaat genomen en ter kennis gesteld aan de ambtenaar. Dit dient binnen een zo kort mogelijke termijn te gebeuren.

  7. Hoe zit het met de betaling van de leden van de PAC en hun gewone werkzaamheden?
    In het LSS zijn er geen bepalingen hierover opgenomen. Van korpsen wordt verwacht dat ze overeenkomstig hetgeen binnen het korps gebruikelijk is zullen handelen (bijv. overeenkomstig bestaande regels over vergoeding van leden van bijvoorbeeld een Bezwaaradviescommissie) .

terug naar boven

Plaatsing (artikel 11 t/m 15 LSS)

  1. Vanaf welk moment is de ambtenaar herplaatsingskandidaat?
    De ambtenaar is formeel herplaatsingskandidaat vanaf het moment dat hem dat kenbaar is gemaakt door middel van een besluit op grond van het definitieve personeelplaatsingsplan. Indien het bevoegd gezag de ambtenaar voorafgaand aan de formele aanwijzing als herplaatsingkandidaat al gebruik wil laten maken van de flankerende voorzieningen dan is het noodzakelijk dat de betrokken ambtenaar is aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat.

  2. Wat impliceert de opmerking in de toelichting bij artikel 1 dat het functieonderhoud in orde moet zijn?
    Concreet betekent dit dat bij de start van een reorganisatie er geen sprake meer kan en mag zijn van het in behandeling hebben van verzoeken tot functieonderhoud. Hiermee wordt tevens bedoeld dat eventuele bezwarenprocedures aangaande functieonderhoud moeten zijn afgehandeld. De bedoeling is immers dat voor iedere ambtenaar de uitgangspositie ten tijde van de reorganisatie bekend is. Men moet namelijk vast kunnen stellen of er sprake is van een functievolger of herplaatsingskandidaat. Het is de verantwoordelijkheid van het bevoegde gezag, dat de functiebeschrijving met eventueel de daarbij behorende stukken in overeenstemming met de werkelijkheid is. Overigens is dit punt ook van belang zodra het LFNP wordt ingevoerd.

  3. Mag je bij een lopende reorganisatie toch nog om functieonderhoud vragen?
    Ja dat kan. De rechtspositie biedt die mogelijkheid en dit is en blijft een recht van de ambtenaar. Het bevoegde gezag dient de behandeling van dit verzoek dan ook conform de regeling functieonderhoud ter hand te nemen. Wel is het zo dat een verzoek tot functieonderhoud ingediend kan worden totdat er een formeel plaatsingbesluit is genomen. Voor de volledigheid wordt in deze verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, LJN BK9642.

  4. Wat is de definitie van functievolger?
    Functievolger is niet anders omschreven, dan dat er sprake is van een vergelijkbare of uitwisselbare functie (artikel 55l Barp en artikel 11 LSS). Een nadere definiëring is juist niet gegeven mede met het oog op de invoering van het LFNP.

  5. Het begrip ‘boventalligheid’, hoe moet dit worden begrepen?
    Dit begrip wordt genoemd in artikel 55l Barp. Als er sprake is van een reorganisatie moet bezien worden wie er functievolger is en wie er herplaatsingkandidaat is. Herplaatsingkandidaat is diegene waarvan de functie verdwijnt of waarvan er minder vergelijkbare of uitwisselbare functies in de nieuwe organisatie terug komen en waarbij de functionaris, met in achtneming van de prioriteitsvolgorde zoals omschreven in artikel 55l Barp 2e lid, dan boventallig wordt. 

  6. In artikel 55l Barp staat beschreven wie functievolger is en wie herplaatsingkandidaat wordt. Hierbij dient zo nodig gekeken te worden naar overheidsjaren. Wat te doen als er sprake is van een gelijk aantal overheidsjaren, wie heeft er dan voorrang?
    Eerst dient gekeken te worden naar de exacte tijd in overheidsdienst, dus niet alleen de volledige jaren maar ook delen van jaren (eventueel maanden, dagen). Als het criterium overheidsjaren ook dan geen uitsluitsel geeft, dan dient er gekeken te worden naar politiedienstjaren (incl. opleidingsjaren). Een criterium op grond van leeftijd is niet mogelijk. Dit zou in strijd zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij arbeid en oordelen van de Commissie Gelijke Behandeling.

  7. Wordt er bij functievolger gekeken naar geschiktheid?
    Nee, bij functievolgers wordt niet gekeken naar geschiktheid. Het enige criterium dat van belang is of er sprake is van een vergelijkbare of uitwisselbare functie.

  8. Kan een ambtenaar verplicht worden aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat?
    Ja, dat kan, maar als een ambtenaar wordt aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat, dan bepaalt zij zelf of zij alvorens de feitelijke reorganisatie plaatsvindt gebruik maakt van de flankerende voorzieningen. Zij kan niet verplicht worden om alvast “mobiel” te zijn. Dit is anders als er sprake is van het formeel aangewezen zijn van herplaatsingskandidaat. Dan is er wel sprake van een verplichting om samen met de werkgever te zoeken naar een passende functie. Daarbij mag de ambtenaar éénmaal een aanbod van de werkgever weigeren.

  9. Wie bepaalt de geschiktheid van een herplaatsingskandidaat? Heeft de leidinggevende hierin een rol?
    Indien er sprake is van het plaatsen op een functie door herplaatsingskandidaten, dan dient er bij meerdere beschikbare kandidaten waarvoor de functie passend is, beoordeeld te worden wie de meest geschikte herplaatsingskandidaat voor die functie is. Bij één beschikbare kandidaat wordt alleen de “passendheid” getoetst. De PAC adviseert het bevoegd gezag in deze. Zij geeft haar advies op grond van het beschikbare dossier en de gesprekken die zijn gevoerd. De leidinggevende heeft hierin geen rol. Uiteindelijk beslist het bevoegde gezag. Dit is de situatie zoals het zich voordoet voordat het definitieve personeelplaatsingsplan is vastgesteld.
    Bij het plaatsen van een herplaatsingskandidaat, die formeel als zodanig is aangewezen op grond van het definitief personeelplaatsingsplan, ligt de rol van het toetsen van passendheid en/of geschiktheid alleen nog bij het bevoegde gezag. De PAC is dan immers niet meer actief.

  10. Als achteraf blijkt dat de functie niet passend is, hoe dient er dan gehandeld te worden?
    Dan dient er sprake te zijn van maatwerk en dient het bevoegde gezag samen met de ambtenaar te bezien welke (on)mogelijkheden er zijn. Uiteraard gelden hierbij de voorwaarden zoals in het LSS is beschreven (flankerende voorzieningen e.d.). Een proefplaatsing is niet toegestaan. Wel is het mogelijk om in het kader van de herplaatsingsinspanningen de ambtenaar tijdelijke werkzaamheden op te dragen (zie artikel 20 LSS).

  11. Wat is het gevolg van het LSS voor de ambtenaar die voorafgaand aan een reorganisatie reeds boventallig is (geen functie vervullen die in de oude formatie voorkomt)?
    Voor deze ambtenaar geldt exact hetzelfde als voor iedere andere ambtenaar. Zijn/haar positie is niet anders. Voor iedereen moet een uitgangspositie (lees functiebeschrijving) vaststaan alvorens een reorganisatie kan starten. Dus ook voor deze ambtenaar. Vervolgens zal bezien worden of betrokkene functievolger is of herplaatsingkandidaat wordt. Overigens wordt in deze kwestie het begrip “boventallig” onjuist gebruikt. Immers het begrip “boventallig” is alleen aan de orde op grond van artikel 55l Barp.

  12. Uitgangspunt bij plaatsing is de schaal verbonden aan de organieke functie. Hoe moet omgegaan worden met oude afspraken die wel/niet bij besluit zijn vast gelegd en die afwijken van deze regel?
    In het kader van de plaatsing is de functie van belang. Deze bepaalt immers of iemand functievolger is of herplaatsingskandidaat is. Als er sprake is van een herplaatsingkandidaat dan is het schaalniveau van de functie van belang voor toepassing van artikel 11, 2e lid van het LSS en artikel 55o van het Barp. Het Barp zal hiertoe nog worden aangepast. Nu zijn beide hiervoor genoemde artikelen nog strijdig met elkaar. Daarnaast is in het LSS in artikel 27 afgesproken dat bij plaatsing, herplaatsing of indien er sprake is van een herplaatsingkandidaat de ambtenaar zijn individuele en persoonsgebonden recht behoudt. Voor dit laatste punt zal artikel 6 Bbp nog aangepast worden.

  13. Politiesurveillanten in maatwerk niveau 3. Wat is hun status? Ze zijn nog niet geplaatst en vallen onder P&O
    Politiesurveillanten die niveau 3 volgen kunnen onder P&O vallen maar ook op een andere wijze administratief zijn ingedeeld. Zie hierover de circulaire van 2003.

  14. Kan er sprake zijn van functievolgerschap bij een andere werkgever?
    Dit kan bij een andere politiewerkgever. Als de functie binnen het reorganisatiegebied valt kan er sprake zijn van functievolgerschap. Ook in andere situaties kan dit mogelijk zijn. In het Barp is in artikel 55i opgenomen dat de bepalingen van hoofdstuk VIIb ook van toepassing zijn in sommige bijzondere situaties, bijvoorbeeld bij privatisering of verzelfstandiging. In die gevallen kan een vergelijkbare of uitwisselbare functie ook bij een andere werkgever voorkomen. Dit gaat alleen op in bijzondere situaties waarin de opvolgende functie ook in het reorganisatiegebied valt. Zie hierover verder de toelichting op artikel 55i derde lid Barp.

  15. Hoe moeten we omgaan met functiebindingstermijnen (IAT, CIE) Kunnen deze medewerkers opnieuw geplaatst worden op deze functie?
    Medewerkers met een functiebindingstermijn kunnen functievolger zijn. Als er geen sprake is van boventalligheid behouden zij hun functie en loopt de bindingstermijn gewoon door. Medewerkers kunnen ook op een andere gewijzigde functie met een functiebindingstermijn terecht komen. Ook in die gevallen loopt de termijn gewoon door. Zie hierover verder de Regeling CIE en de toelichting op artikel 10 van deze regeling.

  16. RPU en artikel 28 a Barp. Moeten we hier rekening mee houden gezien de financiële discussie.
    Artikel 28a Barp en de RPU hebben niet met reorganisatie te maken. Het toetsingskader volgt uit de artikelen zelf. Artikel 28a heeft wel financiële gevolgen, maar deze zijn niet van invloed op de reorganisatie.

  17. Wie heeft er zitting in de reorganisatiecommissie (artikel 55 l., lid 4 Barp)?
    Deze commissie is een andere commissie dan de Adviescommissie melding voorgenomen reorganisatie. De reorganisatiecommissie bestaat uit drie leden, waarvan één onafhankelijke/externe voorzitter. De commissie is paritair samengesteld één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde. Zij beslist op een verzoek van een korps om, bij de aanwijzing van herplaatsingskandidaten, af te mogen wijken van het anciënniteitbeginsel.

  18. Wat is een passende functie?
    Het begrip passende functie is omschreven in artikel 55o van het Barp.

  19. Hoe zit het met het zogenaamde zorgcriterium voor de berekening van het aantal overheidsdienstjaren, blijft dat gehandhaafd?
    Ja, art 55 l lid 2 Barp blijft gehandhaafd.

  20. Kan een formatieve functie ook een tijdelijke functie zijn?
    Ja, dat kan.


terug naar boven

Vacatures (artikel 17 t/m 20 LSS)

  1. Tot hoelang duurt de opschorting van het vervullen van een vacature zoals in artikel 17 staat omschreven?
    De duur is maximaal gesteld tot het moment dat de voorlopige voorzieningenrechter in eerste aanleg (Rechtbank) een uitspraak hierover heeft gedaan. Uiteraard is dit alleen aan de orde als de ambtenaar ook gebruik maakt van deze rechtsmiddelen.

  2. Het bevoegde gezag mag pas vacatures openstellen als al de (pre)herplaatsingskandidaten zijn geplaatst. Hoe dient men dan om te gaan met diegene die terugkeren vanuit een detachering?
    In deze is van belang de afspraken die in de detacheringsovereenkomst staan. Als de betrokken ambtenaar zijn oorspronkelijke functie behoud of bij een bepaalde afdeling blijft horen dan dient de vraag gesteld te worden of de betrokken ambtenaar al dan niet valt binnen het reorganisatiegebied. Als de ambtenaar valt binnen het reorganisatiegebied, dan dient ook zij meegenomen te worden in de reorganisatie (aanwijzing functievolger of herplaatsingkandidaat). Als dit niet het geval is, dan wijzigt er voor deze categorie niet iets. Ook nu is het al zo dat men met de betrokken ambtenaar ruim voorafgaand aan het verstrijken van de detacheringsperiode afspraken dient te maken rondom de terugkeer in het korps van oorsprong. Hier wijzigt niet iets in. Het LSS gaat hier verder ook niet op in.

  3. Korpsen hebben vaak een matchingsbeleid afgesproken vanaf schaal 9. Dit kan conflicteren met de openstelling van vacatures en/of met de taken van het mobiliteitscentrum.
    Het klopt dat dit conflicteert. De afspraak zoals die is gemaakt in het LSS is leidend. Dit betekent dat het matchingsbeleid dus zolang er (landelijk) nog (pre)herplaatsingskandidaten zijn niet langer gehanteerd kan worden.

  4. Moet een korps accepteren dat een (pre)herplaatsingskandidaat van een ander korps de functie van een remplaçant invult, terwijl het korps een vacaturestop heeft of zelf ook geschikte kandidaten heeft?
    Ja, dat zal een korps moeten accepteren. Dit is nl. een afspraak die op landelijk niveau is gemaakt tussen werkgever en vakbonden. Indien er sprake is van een reorganisatie dan is behoud van werkgelegenheid een afspraak die is gemaakt, waarbij tevens de 'concerngedachte' voorop heeft gestaan. Uiteraard dienen de criteria uit artikel 18 van het LSS gerespecteerd te worden. Overigens zijn de criteria uit artikel 18 LSS ook opgenomen in het convenant dat getekend wordt/is door de minister, de vakbonden en de korpsbeheerders.

  5. Kan een passende functie ook een tijdelijke functie zijn?
    Een functie die een tijdelijk karakter heeft kan niet aangemerkt worden als een passende functie, waarop een herplaatsingskandidaat kan worden herplaatst.


terug naar boven

Toepassing voorzieningen (artikel 21 LSS)

  1. In artikel 21 LSS, in combinatie met de toelichting daarop, is bepaald dat een aantal flankerende voorzieningen een recht is en dat een aantal voorzieningen op verzoek wordt toegepast. Vraag is wie op het verzoek beslist.
    Op het verzoek om toepassing van een voorziening wordt beslist door het bevoegd gezag.

  2. In een aantal artikelen van flankerend beleid (bijv. remplaçantenregeling) wordt gesproken over “wordt”. In de toelichting over “kan”.
    Dit klopt. Dit zal in de te publiceren teksten worden aangepast.

  3. Waarom spreekt art 32 LSS over wordt aangewezen in plaats van kán worden aangewezen?
    De formulering is hier niet van doorslaggevend belang. Bepalend is de tabel die is opgenomen in de toelichting op artikel 21. Daaruit blijkt dat dit een recht is als aan de voorwaarden kan worden voldaan. Er is op dit punt geen discretionaire bevoegdheid.

Opleidingskosten (artikel 23 LSS)

  1. Art 23 LSS (opleidingskosten) heeft toch betrekking op de situatie dat de medewerker weg is? Bestaat hiervoor bij SoZaWe geen apart (subsidie-)potje?
    Ja, het gaat hier om de situatie dat er een opleiding wordt gevolgd die noodzakelijk is voor het aanvaarden van een andere functie buiten de politie. Hiervoor zijn geen gelden van SoZaWe beschikbaar.

terug naar boven

Stimuleringspremie (artikel 25 LSS)

  1. De berekeningsformule voor de vertrekstimuleringsregeling in artikel 25 is niet helder. Gaarne de redactie hiervan herzien.
    Het klopt dat dit niet echt helder is omschreven. Bij publicatie zal dit worden aangepast.
    De berekeningsbasis is het laatst genoten salaris plus vakantiegeld plus eindejaarsuitkering. Dit is het ‘maandsalaris’ dat wordt uitgekeerd. Hoeveel maal dit maandsalaris wordt uitgekeerd is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de politie en het moment waarop de medewerker vertrekt. Voor de duur tellen mee alle volledige maanden dienstverband bij de politie, inclusief de jaren besteed aan de verzorging van 0-4 jarige kinderen (zie voor de exacte omschrijving van het zorgcriterium artikel 55l, lid 2 Barp). Dus 47 maanden en 15 dagen tellen mee als 47 maanden. Voor de eerste 120 politiedienstmaanden geldt 1/12e maandsalaris per dienstjaar, bij meer dienstmaanden geldt driekwart van 1/12e maandssalaris per extra dienstmaand (boven de 120). Op de berekening wordt verder nog een deeltijdfactor toegepast. Dat wil zeggen dat een maand waarin bijvoorbeeld een aanstelling van 18 uren gold (50%) voor de helft meetelt. Hierdoor is het effect van een vermindering van uren aan het eind van de loopbaan beperkt.

  2. Hoe zit het met eventuele samenloop van de terugkeergarantie en de vertrekstimuleringspremie.
    De samenloop van de terugkeergarantie en de vertrekstimuleringspremie is in het LSS nog niet goed geregeld. In de regelgeving zal deze samenloop zo worden uitgesloten dat een medewerker die gebruik maakt van de terugkeergarantie geen vertrekstimuleringspremie kan ontvangen.

  3. Wanneer is er sprake van ontslag nemen met het oogmerk direct dan wel indirect…?
    Is dat ook zo indien iemand een eigen bedrijf begint en niet succesvol is na enige tijd en alsnog ouderdomspensioen en/of bovenwettelijke uitkering aanvraagt? Art 25 lid 1. UWV heeft een eigenstandige toetsing. Jurisprudentie heeft geleerd dat UWV ook bij vrijwillig ontslag WW toekent!
    Artikel 25 van het LSS (stimuleringspremie) schrijft niet voor wat de ambtenaar na het ontslag feitelijk gaat doen. Dit is niet noodzakelijk. Voor het geval er (snel) daarna een ouderdomspensioen wordt aangevraagd is er een beperking opgenomen dat de premie nooit meer kan zijn dan de bezoldiging tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Als er op termijn een werkloosheidsuitkering wordt aangevraagd is het mogelijk dat het UWV die toekent. Het gaat echter om een medewerker van wie door het bevoegd gezag is vastgesteld dat er voor hem geen passende functie meer beschikbaar zal zijn (artikel 25 lid 1 LSS). De stimuleringspremie zal altijd lager zijn dan de doorbetaling van de bezoldiging tot aan een mogelijk gedwongen ontslag. Als iemand een eigen bedrijf begint en later alsnog een (bovenwettelijke) uitkering aanvraagt, dan zal die niet toegekend worden, omdat zelfstandigen met een eigen bedrijf geen werknemer zijn in de zin van de WW. Zij hebben bij beëindiging van het bedrijf geen recht op een WW uitkering.
    Als het gaat om een aanvraag van een bovenwettelijke uitkering zal dat niet tot een toekenning leiden. De medewerker die op eigen verzoek ontslag krijgt (artikel 87 Barp) is geen betrokkene in de zin van het Besluit bovenwettelijk werkloosheidsuitkering politie (zie artikel 1 onder b van dat besluit). Een bovenwettelijke uitkering is dus niet mogelijk na een ontslag op eigen verzoek.

  4. Bij artikel 25 lid 6 ontbreekt uitbetaling aan een bank (gouden handdruk kan met ingang van 1 januari 2010 ook via een bancaire oplossing worden voorzien).
    Dit klopt. Bedoeld is dat alle stortingen mogelijk zijn mits zij voldoen aan de fiscale regels voor het uitstellen van belasting.

terug naar boven

Reiskosten (artikel 26 LSS)

  1. Wat gebeurt er als het aantal extra kilometers door een nieuwe verplaatsing weer afneemt?
    Indien het aantal extra reiskilometers woonwerkverkeer ten gevolge van een reorganisatie weer afneemt wordt als eerste de extra reiskostenvergoeding (en de standaard reiskostenvergoeding) verminderd. Of de afname een gevolg is van een wijziging van de werkplek of van een (vrijwillige) verhuizing doet daarbij niet ter zake.

  2. Waarom heeft de pre HPK geen recht op de voorzieningen genoemd in artikel 26?
    Artikel 26 is van toepassing bij een gedwongen verplaatsing. De pre-herplaatsingskandidaat kan nooit gedwongen worden verplaatst in verband met die pre-status. Het is daarom een zogenaamde kan-bepaling. De pre-herplaatsingskandidaat kan verzoeken om toepassing van artikel 26, maar kan dit niet afdwingen.

  3. Wanneer een medewerker vrijwillig verder weg gaat wonen na een gedwongen verplaatsing op grond van reorganisatie, heeft die medewerker dan recht op verhoging van de extra reiskostenvergoeding op basis van het LSS?
    De extra kilometers woon-werkverkeer waarover de extra vergoeding wordt uitgekeerd worden bepaald aan de hand van de woonplaats van de medewerker op het moment van de verplaatsing. Als de medewerker later vrijwillig verder weg gaat wonen dan wordt de extra vergoeding op grond van het LSS niet aangepast. De normale vergoeding op grond van het Brvvp wordt wel aangepast.

  4. Als iemand een vergoeding voor extra reiskosten krijgt en binnen 5 jaar opnieuw wordt verschoven, wordt er dan opnieuw een berekening gemaakt?
    Ja. Als een medewerker tijdens de looptijd van een toekenning extra reiskosten opnieuw gedwongen verplaatst wordt en daardoor neemt de reisafstand woon-werkverkeer opnieuw toe, dan wordt hiervoor een nieuwe berekening gemaakt. De bestaande toekenning loopt door, lengte en afbouw daarvan wijzigen niet, en daarnaast komt er een nieuwe toekenning voor 5 jaar met afbouw op grond van de nieuwe toename in kilometers. In de toelichting op artikel 26 LSS zijn verschillende voorbeelden opgenomen die een en ander verduidelijken.

  5. Graag toelichting op aanvulling extra reiskosten en wat is de extra reisafstand?
    De aanvulling extra reiskosten is van toepassing bij een gedwongen verplaatsing in het kader van een reorganisatie. De aanvulling wordt uitgekeerd voor iedere extra kilometer.

    Reiskosten

    De woonplaats is A, de originele plaats van tewerkstelling is B en de nieuwe plaats van tewerkstelling is C. De extra reisafstand is dan het verschil in kilometers tussen AC en AB. Bijvoorbeeld:
    Van A naar B is 25 kilometer
    Van A naar C is 35 kilometer.
    Het aantal extra kilometers is dan het verschil tussen AC en AB, dus 10 kilometer.
    De aanvulling zorgt ervoor dat per extra kilometer een bedrag van €0,45 wordt vergoed. Hierbij geldt geen maximum aantal kilometers. De aanvulling geldt voor 5 jaar en wordt in die periode aangevuld. Als de aanvulling € 0,30 is dan wordt in het eerste jaar € 0,30 uitgekeerd, in het tweede jaar € 0,24, in het derde jaar € 0,18, in het vierde jaar € 0,12 en in het vijfde en laatste jaar € 0,06. De totale vergoeding per extra kilometer (inclusief de standaard vergoeding van het Brvvp) loopt in dit voorbeeld dus terug van € 0,45 in het eerste jaar tot € 0,21 in het laatste jaar.
    (NB: in het rekenvoorbeeld is geen rekening gehouden met de wijziging van de standaard vergoeding die de komende jaren wordt doorgevoerd.)


terug naar boven

Kwijtschelding terugbetalingen (artikel 28 LSS)

  1. Ziet artikel 26 ook op de gedwongen verplaatsing op basis van artikel 64 Barp al dan niet met een verhoogde reisafstand?
    Ja, als er al sprake is van een lopende toekenning op rond van artikel 26 LSS dan ziet dit op alle verplaatsingen als gevolg van een reorganisatie met uitzondering van de verplaatsing op basis van artikel 65 Barp (op aanvraag van de ambtenaar).

terug naar boven

Remplaçantenregeling (artikel 30 LSS)

  1. Bestaat de mogelijkheid dat iemand zich meldt als remplaçant (art 30 LSS) en dat daarbij een (pre-) hpk-er van een ander korps die functie inneemt? En zo ja, hoe zit dat met de kosten?
    Ja, dat kan. De remplaçantenregeling is niet beperkt tot het korps. De kosten van het flankerend beleid zijn voor rekening van het korps waar de remplacant vandaan komt. Dit dient op landelijk niveau het behoud van werkgelegenheid en van kennis en het beperken van ww kosten en sluit daarmee aan op de 1-concern gedachte. Wat betreft loonkosten ontstaan overigens geen extra kosten omdat de remplaçantenregeling alleen geldt in geval de medewerker op diens aanvraag ontslag wordt verleend.

  2. Wie zorgt voor een landelijke registratie van herplaatsingskandidaten?
    Voor een goede werking van de remplaçantenregeling is registratie van (pre)herplaatsingskandidaten noodzakelijk. Dit wordt een taak van het nog in te richten Mobiliteitscentrum. In het Akkoord verlenging en aanvulling Arbeidsvoorwaardenakkoord 2008-2010 (de packagedeal) zijn op hoofdlijnen al afspraken gemaakt over de functionaliteit van het Mobiliteitscentrum. De exacte invulling daarvan wordt nog nader bepaald. OP grond van de afspraken op hoofdlijnen zal onder andere tot de taken behoren het verzamelen en beheren van gegevens over vacatures en over aanwijzingen als (pre)herplaatsingskandidaat, het verspreiden van gegevens onder ambtenaren en korpsen en de voorselectie en voordracht van (her)plaatsingskandidaten.

  3. Wie registreert de ambtenaren die plaats willen maken met gebruik van de remplaçantenregeling?
    Ook deze taak worden neergelegd bij het nog in te richten Mobiliteitscentrum.

  4. Vanaf wanneer kan er gebruik gemaakt worden van de remplaçantenregeling?
    Dat kan vanaf 2 maart 2010.

terug naar boven

Ontheffing van werkzaamheden (artikel 31 LSS)

  1. Artikel 31 biedt de mogelijkheid om ondanks het LIFO-systeem jongeren voor de organisatie te behouden
    Artikel 31 is bedoeld om gedwongen uitstroom van (pre)herplaatsingskandidaten te voorkomen door hen te (her)plaatsen op de plek van een medewerker die binnen korte tijd toch gaat vertrekken. Dit kan in allerlei situaties voorkomen. Als een ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare functie waarin boventalligheid voorkomt aangeeft gebruik te willen maken van artikel 31, dan kan dit inderdaad van invloed op de uitkomst die LIFO systeem geeft. Dit is geen bezwaar omdat het gebeurt op verzoek van de medewerker die zijn plaats ‘ter beschikking stelt’.

  2. Als een medewerker op basis van art. 31 LSS een jaar niet werkt, telt dat jaar dan mee voor de berekening van de stimuleringspremie?
    Ja, dat telt mee. Alle jaren en gehele maanden in politiedienst tellen hiervoor mee, dus ook de periode waarin een ontheffing van werkzaamheden op grond van artikel 31 is gegeven.

  3. Is het mogelijk iemand te ontheffen uit de werkzaamheden voorafgaande aan de uittreding middels pensioen.
    Ja, dat is mogelijk. Artikel 31 van het LSS stelt als eis dat er een ontslagbesluit wordt genomen dat ingaat binnen 18 maanden.


terug naar boven

Terugkeergarantie (artikel 33 LSS)

  1. Hoe zit het met eventuele samenloop van de terugkeergarantie en de vertrekstimuleringspremie.
    De samenloop van de terugkeergarantie en de vertrekstimuleringspremie is in het LSS nog niet goed geregeld. In de regelgeving zal deze samenloop zo worden uitgesloten dat een medewerker die gebruik maakt van de terugkeergarantie geen vertrekstimuleringspremie kan ontvangen.

  2. Kan een medewerker ook vrijwillig terugkeren als hij een terugkeergarantie heeft, bijvoorbeeld omdat de baan hem niet bevalt?
    Nee, dat is niet de bedoeling. Het gaat om ontslag door de (nieuwe) werkgever tijdens de proeftijd buiten eigen schuld of toedoen van de medewerker. De voorziening is niet bedoeld om een nieuwe baan uit te proberen, maar om een vangnet te creëren voor het geval er onverhoopt een ontslag door de nieuwe werkgever tijdens de proeftijd volgt.

  3. Geldt de terugkeergarantie alleen voor (her) plaatsingskandidaten
    Ja, de terugkeergarantie wordt op aanvraag gegeven aan de herplaatsingskandidaat of pre-herplaatsingskandidaat aan wie op grond van artikel 87 Barp op eigen verzoek ontslag wordt verleend. De term ‘ambtenaar’ in artikel 31 van het LSS zal in de regelgeving in die zin worden gewijzigd.


terug naar boven

Gelding (artikel 35 LSS)

  1. Wanneer geldt het LSS als een reorganisatie al loopt en waarop is het overgangbeleid van het LSS van toepassing?
    Het overgangbeleid voor de procedurele voorschriften en de toepassing van flankerend beleid verschilt. Het flankerend beleid is van toepassing als de (her)plaatsingsbesluiten op grond van het definitief personeelplaatsingsplan bekend zijn gemaakt op of na 2 maart 2010. De procedurele voorschriften zijn op een lopende reorganisatie van toepassing als en voor zover dat mogelijk is zonder ‘een stap terug te doen’. Als er bijvoorbeeld nog geen concept personeelplaatsingsplan is vastgesteld, dan kunnen de plaatsingsregels van het LSS nog toegepast worden. Als er echter al voorgenomen besluiten verzonden zijn op basis van een afwijkende procedure, dan kan dit niet hersteld worden zonder een stap terug te doen. In dat geval zijn de voorschriften daarover in het LSS niet van toepassing.

  2. Mag je meer afspreken dan het LSS?
    Het LSS bepaalt dat het niet is toegestaan om extra of aanvullend flankerend beleid voor een bepaalde reorganisatie af te spreken tenzij sprake is van bijzondere situatie (zoals een privatisering). Ambtenaren die binnen het reorganisatiegebied vallen dienen altijd behandeld te worden conform het LSS. In individuele gevallen kan maatwerk mogelijk zijn, maar hier dient terughoudend mee om te worden gegaan.


terug naar boven

Wet- en regelgeving

  1. Met het LSS hangt samen wijzigingen regelgeving en het sluiten van een uitvoeringsconvenant met de tussen BZK en korpsbeheerders c.s.. Vraag is of de desbetreffende stukken voldoende met elkaar in evenwicht zijn.
    Ja, deze zijn met elkaar in evenwicht.

  2. In de noordelijke regio’s is reorganisatie gaande voor de vorming van een SSC. Het LSS vormt daarbij de basis. Wanneer is de regelgeving naar aanleiding van het LSS formeel aangepast?
    De inschatting is, dat een officiële publicatie van het LSS en van de wijzigingen van het Barp, eind 2010 begin 2011 kunnen verwachten. In het bijzonder het formaliseringstraject van de wijzigingen van het Barp vraagt de nodige tijd.

  3. Reiskosten staat bij flankerende maatregelen, waarom worden deze afspraken geen onderdeel van het BRVVP?
    Deze afspraken staan in verband met een reorganisatie. Het LSS geeft een nadere uitwerking van hoofdstuk VIIB van het Barp. De voorziening reiskosten wordt gezien als een van deze nadere uitwerkingen.

  4. Worden de aanpassingen in het BARP door een wetgevingsjurist bekeken?
    Ja, het omzetten van het LSS in te publiceren regelgeving wordt verzorgd door wetgevingsjuristen van het Ministerie van BZK.

terug naar boven

Berekening reistijd passende functie in het kader van een reorganisatie

Onderstaande vraag en antwoord zijn op basis van geaccordeerd overleg tussen de minister van BZK en politievakorganisaties dd. 3 augustus 2010 en geldt voor de reorganisatie van SSC Noord en overigens alle andere reorganisaties bij de Nederlandse politie.

  1. Hoe wordt de reistijd berekend in relatie tot het begrip passende functie
    Op de eerste plaats is van belang om op te merken dat reistijd als zodanig en in het kader van de (spel)regels over een reorganisatie niet voor vergoeding (in natura dan wel geld) in aanmerking komen. Toch is het begrip reistijd in bepaalde gevallen van belang, namelijk voor de vraag wanneer (nog) sprake is van een passende functie. Hierover gaat artikel 55o, lid 3 onder de letter d van het Besluit algemene rechtspositie politie. De tekst hiervan is als volgt:
    "Niet als passende functie wordt beschouwd:

    d. indien de reistijd van en naar de werkplek van de functie meer dan drie uur per dag bedraagt, tenzij de gebruikelijke reistijd voor de herplaatsingkandidaat van en naar de plaats van tewerkstelling al meer dan drie uur per dag bedraagt."

    In de toelichting op dit artikel staat het volgende vermeld:

    ‘’De reistijd dient afhankelijk van de omstandigheden beoordeeld te worden aan de hand van het meest geëigende vervoersmiddel. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de uitvoering van de Werkloosheidswet.’’

    Naar aanleiding van de besprekingen over het LSS tussen de minister en de politievakorganisaties is gebleken dat de Werkloosheidswet geen aanknopingspunten biedt en gelet hierop zijn in het overleg van 3 augustus jl. de volgende afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn bindend voor zowel bevoegd gezag alsook de individuele ambtenaar en zullen te zijner tijd ook in de officiële regelgeving van het LSS opgenomen worden.

    • De ambtenaar maakt zijn voorkeur bekend.
    • Het bevoegd gezag beslist, nadat de plaatsingsadviescommissie heeft geadviseerd.
    • Van zowel het bevoegd gezag als de ambtenaar wordt een redelijke opstelling verwacht (zie hierna de voorbeelden).
    • Als van de voorkeur van de ambtenaar wordt afgeweken dient dat door het bevoegd gezag te worden gemotiveerd.
    • Bij het gebruik van openbaar vervoer wordt de OV-planner gehanteerd en bij gebruik van de auto de routeplanner zoals deze ook geldt bij de berekening van de tegemoetkoming in de reiskosten woon-werkverkeer.

    Het gaat erom dat van alle partijen een redelijke opstelling (redelijkheid en billijkheid) mag worden verwacht. Bovendien geldt voor de ambtenaar het niet onbelangrijke aandachtspunt dat bij gebreke van een passende functie, de aanwijzing kan volgen tot herplaatsingskandidaat. Het staat de ambtenaar vrij om een langere reisafstand dan drie uren per dag te accepteren, mits dit een volstrekt vrijwillige en weloverwogen keuze is geweest en voor zover niet onverantwoord is te achten.

    Aandachtspunt indien sprake is van een voornemenbrief waarin de ambtenaar als functievolger is aangemerkt: het voornemen tot functievolger kan onder omstandigheden komen te vervallen, wanneer blijkt dat de reisafstand meer dan drie uren per dag gaat bedragen (berekening afhankelijk van persoonlijke omstandigheden; zie voorbeelden); dan kan nog blijken van een andere passende functie en in het uiterste geval volgt aanwijzing als herplaatsingskandidaat.

    Een aantal voorbeelden ter verduidelijking:

    • De ambtenaar is in de oude situatie woonachtig op tien kilometer afstand van de huidige plaats van tewerkstelling en legt deze afstand meer en deels met de fiets af. Door de reorganisatie is de nieuwe plaats van tewerkstelling op zestig kilometer afstand van de woning gelegen. Het is evident dat de ambtenaar in de nieuwe situatie niet langer op de fiets naar zijn werk kan (zou de ambtenaar anders beweren dan is dit -gezien de afstand- een onredelijke opstelling). Het is vervolgens de ambtenaar die de keuze maakt om de reis naar de nieuwe plaats van tewerkstelling te maken met de auto of het openbaar vervoer. Uiteraard beslist uiteindelijk het bevoegd gezag en heeft de ambtenaar de mogelijkheid om in bezwaar en beroep te gaan tegen de beslissing van het bevoegd gezag. Indien hij voor de auto kiest, dan wordt de daartoe gebruikelijke routeplanner gehanteerd; via de snelste route, dus niet de kortste route qua afstand. Indien de ambtenaar kiest voor het openbaar vervoer, dan is de reistijd zoals berekend via de OV-planner bepalend. Zie de website: 9292ov.nl, waarbij de regiotaxi buiten beschouwing blijft. Wanneer de reistijd op basis van de routeplanner (auto) dan wel OV-planner onder de drie uren per dag blijft, dan is sprake van een passende functie.

    • De ambtenaar is in de oude situatie woonachtig op twintig kilometer afstand van de huidige plaats van tewerkstelling. Door de reorganisatie is de nieuwe plaats van tewerkstelling op dertig kilometer afstand van de woning gelegen. In de oude situatie maakte de ambtenaar gebruik van het openbaar vervoer en was hij werkzaam in een functie met volledige onregelmatigheid. Het voornemen bestaat om de ambtenaar te herplaatsen in een andere functie met volledige onregelmatigheid. Het huishouden waartoe hij behoort heeft weliswaar de beschikking over een auto, maar deze is merendeels in gebruik bij de partner. Het is niet onredelijk dat de ambtenaar ook in de nieuwe situatie kiest voor het openbaar vervoer, maar vanwege de volledige onregelmatigheid kan hij meerdere diensten per roosterperiode niet op tijd aanvangen c.q. niet meer op tijd thuiskomen omdat het openbaar vervoer niet rijdt. In dit geval is dus de functie met volledige onregelmatigheid in de nieuwe plaats van tewerkstelling geen passende functie.

terug naar vorige pagina terug naar boven