Algemeen
Melding reorganisaties (artikel 4 LSS, artikel 55j Barp)
Reorganisatieplan (artikel 7 LSS)
De PAC (artikel 8 t/m 10 LSS)
Plaatsing (artikel 11 t/m 15 LSS)
Vacatures (artikel 17 t/m 20 LSS)
Toepassing voorzieningen (artikel 21 LSS)
Opleidingskosten (artikel 23 LSS)
Stimuleringspremie (artikel 25 LSS)
Reiskosten (artikel 26 LSS)
Kwijtschelding terugbetalingen (artikel 28 LSS)
Remplaçantenregeling (artikel 30 LSS)
Ontheffing van werkzaamheden (artikel 31 LSS)
Terugkeergarantie (artikel 33 LSS)
Gelding (artikel 35 LSS)
Wet- en regelgeving
Berekening reistijd passende functie
in het kader van een reorganisatie
Welke handelwijze moet gevolgd worden wanneer
de reorganisatie 20 of minder medewerkers betreft?
De reorganisatie moet altijd
gemeld worden bij de Adviescommissie melding voorgenomen reorganisatie.
Een korps kan op grond van artikel 8 van het LSS een verzoek doen aan
de minister van BZK om ontheven te worden van de verplichting tot het
instellen van een PAC. De minister zal vervolgens een beslissing nemen
doch niet eerder dan nadat hij deze Adviescommissie om advies heeft
gevraagd. Het is raadzaam om dit verzoek tegelijkertijd te doen met
de melding van de voorgenomen reorganisatie.
Wat is een reorganisatie?
De definitie van reorganisatie is in artikel
55i. van het Barp opgenomen,
en wordt ruim uitgelegd. Er wordt geadviseerd om elke vorm van reorganisatie,
hoe klein, of weinig omvangrijk deze ook lijkt, toch te melden. Een melding
die compleet is, overzichtelijk en is voorzien van de juiste toelichting
kan dan snel worden afgewikkeld.
Welke reorganisaties moeten gemeld worden?
Alle reorganisaties
worden gemeld die vallen onder de ruime interpretatie van de definitie
van artikel 55i. van het Barp. In de praktijk worden naast de term
reorganisatie ook bijvoorbeeld de termen gehanteerd als wijziging van
de werkprocessen, doorontwikkeling etc. etc..
Kan de reactie
(= het advies) van de OR tijdig meegezonden worden als de adviesaanvraag
gelijktijdig is aan de aanvraag om advies bij de adviescommissie? Kan
de parallelle procesgang goed verlopen?
Het uiteindelijke definitieve
advies van de OR kan worden nagestuurd
aan de Adviescommissie. Het voordeel hiervan is dat de Adviescommissie
in een vroeg stadium de melding en de bijbehorende andere documenten van
een korps kan bezien. Uiteraard zal de Adviescommissie pas een advies
uitbrengen aan de CGOP nadat de cie. beschikt over het definitieve advies
van de OR en de reactie daarop van het bevoegd gezag. Bij complexe reorganisaties
is het raadzaam om het advies van de OR af te wachten voordat er een melding
wordt gedaan aan de minister van BZK door tussenkomst van de Adviescommissie.
Het advies van de OR kan aanleiding zijn voor het bevoegd gezag om bijvoorbeeld
het tijdpad aan te passen, dan wel bepaalde inzichten te herzien, waardoor
het uiteindelijke beoogde resultaat van de reorganisatie bijgesteld moet
worden.
Moet je melden als de werkprocessen wijzigen en waarbij er
geen personele gevolgen zijn?
Ook dit moet gemeld worden in verband met de ruime interpretatie die
er wordt gegeven aan de omschrijving van het begrip reorganisatie.
Mocht de CGOP na het bezien van de ontvangen stukken van oordeel zijn
dat er geen sprake is van een reorganisatie, dan zal de CGOP snel met
dit oordeel komen.
Wanneer moet je een reorganisatie melden bij de CGOP?
In zijn algemeenheid wordt aangegeven dat men een voorgenomen reorganisatie
“tijdig”moet melden. In het Protocol
melding voorgenomen reorganisaties (pdf, 73 K) wordt als “tijdig”
aangemerkt als men de melding doet tegelijkertijd met de adviesaanvraag
aan de OR.
In het LSS vindt men in artikel 4 ook de verplichting dat een voorgenomen
reorganisatie tijdig moet worden gemeld. Daarvan is sprake als men meldt
voordat er sprake is van onomkeerbare personele gevolgen. Met andere woorden
de melding moet worden gedaan op het moment dat er nog geen voorgenomen
individuele besluiten zijn genomen op basis van een concept personeelsplaatsingsplan.
Is
er een best-practice voor een was-wordt lijst en wordt die lijst beschikbaar
gesteld?
Het voornemen is om gemelde reorganisaties die zijn
gedaan en afgewikkeld op de site van www.cao-politie.nl te plaatsen.
Ook het bijbehorende advies van de Adviescommissie en de bevindingen
van de CGOP over de gedane voorgenomen melding zullen op die site worden
gepubliceerd. Zie
als best-practice van een “was-wordt” lijst het volgende voorbeeld.
Wanneer kan door de CGOP een reorganisatie worden terugverwezen
naar de Adviescommissie?
Er kan sprake zijn van een “terugverwijzing”naar de Adviescommissie
als bijvoorbeeld de CGOP van oordeel is dat zij niet over alle relevante
informatie beschikt, of als er nader onderzoek verricht moet worden of
als er nadere informatie bij het korps opgevraagd moet worden.
Waar zijn het Meldingsformat en het Meldingsprotocol te vinden?
De Regeling melding voorgenomen reorganisaties van 20 juli 2007,
bevat deze twee bijlagen. Deze is te vinden op www.cao-politie.nl.
Download de regeling (pdf, 73 K)
Wat
gebeurt er als de reorganisatie niet wordt gemeld maar wel het LSS
wordt toegepast?
Deze situatie kan c.q. mag zich niet voordoen.
In formele zin zou er dan geen sprake zijn van een reorganisatie en
zouden dus ook niet de flankerende voorzieningen uit het LSS kunnen
worden toegepast. Het advies is derhalve: bij twijfel altijd melden.
De 20 medewerkers waarover gesproken wordt in art. 8 LSS (ontheffing
instelling PAC), is dat de “was” of de “wordt” situatie
Onder verwijzing naar artikel 8 van het LSS: er dient uitgegaan te
worden van het aantal ambtenaren voor wie de reorganisatie rechtspositionele
gevolgen heeft. Een voorbeeld: het bevoegd gezag kan voor een reorganisatie
van een onderdeel waarin 100 ambtenaren werkzaam zijn het verzoek doen
om ontheven te worden van de verplichting een PAC in te stellen, als
de reorganisatie slechts voor 20 of minder ambtenaren rechtspositionele
gevolgen heeft. Zie verder de toelichting bij artikel 8 van het LSS.
In hoeverre kan voor de melding van een reorganisatie in de communicatie
naar de medewerkers voor zijn.
Het personeel kan/moet in het
gehele proces worden meegenomen. In artikel 24 van de WOR is bepaald dat
tenminste tweemaal per jaar de algemene gang van zaken van i.c. de onderneming
(lees: het korps) wordt besproken. In dat kader worden er mededelingen
gedaan over besluiten die in voorbereiding zijn die betrekking hebben
op aangelegenheden als bedoeld in de artikelen 25 (adviesrecht) en 27
(instemmingsrecht)van de WOR.
Wat wordt bedoeld met functie in artikel 7?
In artikel 7 wordt met functie
bedoeld: de organieke functie. Of ook wel: formatieve functie genoemd.
Met organieke / formatieve functie wordt bedoeld de formeel vastgestelde
en gewaardeerde functie.
Vanaf wanneer gaat de PAC aan de slag? In artikel 8 van het LSS is bepaald dat het bevoegd gezag een PAC instelt. De PAC kan zijn werkzaamheden aanvangen vanaf het moment dat de reorganisatie start. Op grond van artikel 7 LSS dient het bevoegd gezag de ingangsdatum van de reorganisatie te melden. Dit is dus het moment vanaf wanneer de PAC feitelijk aan de slag gaat. Immers de PAC organiseert de belangstellingsregistratie en adviseert aangaande het concept plaatsingplan op grond waarvan het bevoegd gezag de voorgenomen besluiten ten aanzien van de individuele ambtenaar neemt.
Wie levert de vakbondsvertegenwoordiging in de
PAC?
De vakbonden leveren hiervoor mensen. Zodra er een PAC t.b.v.
een reorganisatie ingesteld moet worden, dan dient het korps aan het
CGOP een verzoek te doen om zorg te dragen voor levering van een PAC
kandidaat. De vakbonden kunnen daarbij aangeven dat de kandidaat alleen
voor die reorganisatie wordt aangewezen. Daarnaast geldt dat alle reeds
bestaande PAC’s van voor 2 maart 2010 niet automatisch overgaan naar
een PAC zoals bedoeld in het LSS. Ook hiervoor geldt dat het korps
een verzoek aan het CGOP dient te doen. Overigens geldt het hiervoor
gestelde ook voor de externe voorzitter van het PAC. Immers die wordt
benoemd op gezamenlijke voordracht van het bevoegde gezag en de politievakorganisaties.
Hoe gaat de PAC om met de belangstellingsregistratie?
In het LSS
artikel 9 lid 4 staat verwoord dat de PAC haar eigen reglement van
orde en werkwijze vaststelt. De PAC kan over de schriftelijke belangstellingsregistratie
aspecten opnemen in het hiervoor bedoelde reglement.
Wie voert er
nu met de medewerker gesprekken: het bevoegde gezag of de PAC?
Het
bevoegde gezag kan altijd met een medewerker informeel in gesprek gaan.
In het LSS is geregeld dat de PAC het gesprek met de medewerker voert
aangaande de reorganisatie. Hier is bij de vaststelling van het definitieve
LSS bewust de keuze in gemaakt. Iedere ambtenaar kan zijn vinger opsteken
om een gesprek met de PAC aan te gaan. Indien er op grond van artikel
8 van het LSS geen PAC is, dan wordt de taak van het PAC overgenomen
door het bevoegde gezag.
Hoeveel weken heeft de PAC om haar werkzaamheden
te verrichten?
Vanaf het moment van de start van de reorganisatie tot
het moment dat de PAC het bevoegd gezag heeft geadviseerd over de zienswijzen
die zijn ingebracht op grond van de voorgenomen plaatsingen. Daarbij
dient opgemerkt te worden dat de PAC 7 weken heeft nadat de voorgenomen
plaatsingen zijn bekend gemaakt om de hierop ingebrachte zienswijzen
te behandelen.
Als de PAC de zienswijzen heeft behandeld, wat gebeurt
er dan?
Het bevoegd gezag dient naar aanleiding van de zienswijzen
en de adviezen hierin van de PAC het personeelplaatsingsplan vast te
stellen. Op grond van het vastgestelde personeelplaatsingsplan wordt
door het bevoegd gezag de besluiten tot plaatsing (als functievolger)
of aanwijzing herplaatsingskandidaat genomen en ter kennis gesteld
aan de ambtenaar. Dit dient binnen een zo kort mogelijke termijn te
gebeuren.
Vanaf welk moment is de ambtenaar herplaatsingskandidaat?
De ambtenaar is formeel herplaatsingskandidaat vanaf het moment dat
hem dat kenbaar is gemaakt door middel van een besluit op grond van het
definitieve personeelplaatsingsplan. Indien het bevoegd gezag de ambtenaar
voorafgaand aan de formele aanwijzing als herplaatsingkandidaat al gebruik
wil laten maken van de flankerende voorzieningen dan is het noodzakelijk
dat de betrokken ambtenaar is aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat.
Wat
impliceert de opmerking in de toelichting bij artikel 1 dat het functieonderhoud
in orde moet zijn?
Concreet betekent dit dat bij de start van een reorganisatie er geen
sprake meer kan en mag zijn van het in behandeling hebben van verzoeken
tot functieonderhoud. Hiermee wordt tevens bedoeld dat eventuele bezwarenprocedures
aangaande functieonderhoud moeten zijn afgehandeld. De bedoeling is immers
dat voor iedere ambtenaar de uitgangspositie ten tijde van de reorganisatie
bekend is. Men moet namelijk vast kunnen stellen of er sprake is van
een functievolger of herplaatsingskandidaat. Het is de verantwoordelijkheid
van het bevoegde gezag, dat de functiebeschrijving met eventueel de daarbij
behorende stukken in overeenstemming met de werkelijkheid is. Overigens
is dit punt ook van belang zodra het LFNP wordt ingevoerd.
Mag je bij een lopende reorganisatie toch nog om functieonderhoud
vragen?
Ja dat kan. De rechtspositie biedt die mogelijkheid en dit is en
blijft een recht van de ambtenaar. Het bevoegde gezag dient de behandeling
van dit verzoek dan ook conform de regeling functieonderhoud ter
hand te nemen. Wel is het zo dat een verzoek tot functieonderhoud
ingediend kan worden totdat er een formeel plaatsingbesluit is genomen.
Voor de volledigheid wordt in deze verwezen naar de uitspraak van
de Centrale Raad van Beroep, LJN BK9642.
Wat is de definitie van
functievolger?
Functievolger is niet anders omschreven, dan dat er sprake is van
een vergelijkbare of uitwisselbare functie (artikel 55l Barp en artikel
11 LSS). Een nadere definiëring is juist niet gegeven mede met het
oog op de invoering van het LFNP.
Het begrip ‘boventalligheid’,
hoe moet dit worden begrepen?
Dit begrip wordt genoemd in artikel
55l Barp. Als er sprake is van een reorganisatie moet bezien worden
wie er functievolger is en wie er herplaatsingkandidaat is. Herplaatsingkandidaat
is diegene waarvan de functie verdwijnt of waarvan er minder vergelijkbare
of uitwisselbare functies in de nieuwe organisatie terug komen en
waarbij de functionaris, met in achtneming van de prioriteitsvolgorde
zoals omschreven in artikel 55l Barp 2e lid, dan boventallig wordt.
In
artikel 55l Barp staat beschreven wie functievolger is en wie herplaatsingkandidaat
wordt. Hierbij dient zo nodig gekeken te worden naar overheidsjaren.
Wat te doen als er sprake is van een gelijk aantal overheidsjaren,
wie heeft er dan voorrang?
Eerst dient gekeken te worden naar de exacte tijd in overheidsdienst,
dus niet alleen de volledige jaren maar ook delen van jaren (eventueel
maanden, dagen). Als het criterium overheidsjaren ook dan geen uitsluitsel
geeft, dan dient er gekeken te worden naar politiedienstjaren (incl.
opleidingsjaren). Een criterium op grond van leeftijd is niet mogelijk.
Dit zou in strijd zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd
bij arbeid en oordelen van de Commissie Gelijke Behandeling.
Wordt
er bij functievolger gekeken naar geschiktheid?
Nee, bij functievolgers wordt niet gekeken naar geschiktheid. Het
enige criterium dat van belang is of er sprake is van een vergelijkbare
of uitwisselbare functie.
Kan een ambtenaar verplicht worden aangewezen
als pre-herplaatsingskandidaat?
Ja, dat kan, maar als een ambtenaar wordt aangewezen als pre-herplaatsingskandidaat,
dan bepaalt zij zelf of zij alvorens de feitelijke reorganisatie plaatsvindt
gebruik maakt van de flankerende voorzieningen. Zij kan niet verplicht
worden om alvast “mobiel” te zijn. Dit is anders als er sprake is van
het formeel aangewezen zijn van herplaatsingskandidaat. Dan is er wel
sprake van een verplichting om samen met de werkgever te zoeken naar
een passende functie. Daarbij mag de ambtenaar éénmaal een aanbod van
de werkgever weigeren.
Wie bepaalt de geschiktheid van een herplaatsingskandidaat?
Heeft de leidinggevende hierin een rol?
Indien er sprake is van het plaatsen op een functie door herplaatsingskandidaten,
dan dient er bij meerdere beschikbare kandidaten waarvoor de functie
passend is, beoordeeld te worden wie de meest geschikte herplaatsingskandidaat
voor die functie is. Bij één beschikbare kandidaat wordt alleen de “passendheid”
getoetst. De PAC adviseert het bevoegd gezag in deze. Zij geeft haar
advies op grond van het beschikbare dossier en de gesprekken die zijn
gevoerd. De leidinggevende heeft hierin geen rol. Uiteindelijk beslist
het bevoegde gezag. Dit is de situatie zoals het zich voordoet voordat
het definitieve personeelplaatsingsplan is vastgesteld.
Bij het plaatsen van een herplaatsingskandidaat, die formeel als zodanig
is aangewezen op grond van het definitief personeelplaatsingsplan, ligt
de rol van het toetsen van passendheid en/of geschiktheid alleen nog
bij het bevoegde gezag. De PAC is dan immers niet meer actief.
Als
achteraf blijkt dat de functie niet passend is, hoe dient er dan
gehandeld te worden?
Dan dient er sprake te zijn van maatwerk en dient het bevoegde gezag
samen met de ambtenaar te bezien welke (on)mogelijkheden er zijn. Uiteraard
gelden hierbij de voorwaarden zoals in het LSS is beschreven (flankerende
voorzieningen e.d.). Een proefplaatsing is niet toegestaan. Wel is het
mogelijk om in het kader van de herplaatsingsinspanningen de ambtenaar
tijdelijke werkzaamheden op te dragen (zie artikel 20 LSS).
Wat is
het gevolg van het LSS voor de ambtenaar die voorafgaand aan een
reorganisatie reeds boventallig is (geen functie vervullen die
in de oude formatie voorkomt)?
Voor deze ambtenaar geldt exact hetzelfde als voor iedere andere
ambtenaar. Zijn/haar positie is niet anders. Voor iedereen moet een
uitgangspositie (lees functiebeschrijving) vaststaan alvorens een
reorganisatie kan starten. Dus ook voor deze ambtenaar. Vervolgens
zal bezien worden of betrokkene functievolger is of herplaatsingkandidaat
wordt. Overigens wordt in deze kwestie het begrip “boventallig” onjuist
gebruikt. Immers het begrip “boventallig” is alleen aan de orde op
grond van artikel 55l Barp.
Uitgangspunt bij plaatsing is de schaal
verbonden aan de organieke functie. Hoe moet omgegaan worden met
oude afspraken die wel/niet bij besluit zijn vast gelegd en die afwijken
van deze regel?
In het kader van de plaatsing is de functie van belang. Deze bepaalt
immers of iemand functievolger is of herplaatsingskandidaat is. Als er
sprake is van een herplaatsingkandidaat dan is het schaalniveau van
de functie van belang voor toepassing van artikel 11, 2e lid van
het LSS en artikel 55o van het Barp. Het Barp zal hiertoe nog worden
aangepast. Nu zijn beide hiervoor genoemde artikelen nog strijdig met
elkaar. Daarnaast is in het LSS in artikel 27 afgesproken dat bij plaatsing,
herplaatsing of indien er sprake is van een herplaatsingkandidaat de
ambtenaar zijn individuele en persoonsgebonden recht behoudt. Voor dit
laatste punt zal artikel 6 Bbp nog aangepast worden.
Politiesurveillanten
in maatwerk niveau 3. Wat is hun status? Ze zijn nog niet geplaatst
en vallen onder P&O
Politiesurveillanten die niveau 3 volgen
kunnen onder P&O vallen
maar ook op een andere wijze administratief zijn ingedeeld. Zie hierover
de circulaire van 2003.
Kan er sprake zijn van functievolgerschap
bij een andere werkgever?
Dit kan bij een andere politiewerkgever. Als de functie binnen het
reorganisatiegebied valt kan er sprake zijn van functievolgerschap.
Ook in andere situaties kan dit mogelijk zijn. In het Barp is in
artikel 55i opgenomen dat de bepalingen van hoofdstuk VIIb ook van
toepassing zijn in sommige bijzondere situaties, bijvoorbeeld bij
privatisering of verzelfstandiging. In die gevallen kan een vergelijkbare
of uitwisselbare functie ook bij een andere werkgever voorkomen.
Dit gaat alleen op in bijzondere situaties waarin de opvolgende functie
ook in het reorganisatiegebied valt. Zie hierover verder de toelichting
op artikel 55i derde lid Barp.
Hoe moeten we omgaan met functiebindingstermijnen
(IAT, CIE) Kunnen deze medewerkers opnieuw geplaatst worden op deze
functie?
Medewerkers met een functiebindingstermijn kunnen functievolger zijn.
Als er geen sprake is van boventalligheid behouden zij hun functie en
loopt de bindingstermijn gewoon door. Medewerkers kunnen ook op een andere
gewijzigde functie met een functiebindingstermijn terecht komen. Ook
in die gevallen loopt de termijn gewoon door. Zie hierover verder de
Regeling CIE en de toelichting op artikel 10 van deze regeling.
RPU
en artikel 28 a Barp. Moeten we hier rekening mee houden gezien de
financiële discussie.
Artikel 28a Barp en de RPU hebben niet met reorganisatie te maken.
Het toetsingskader volgt uit de artikelen zelf. Artikel 28a heeft
wel financiële gevolgen, maar deze zijn niet van invloed op de reorganisatie.
Wie
heeft er zitting in de reorganisatiecommissie (artikel
55 l., lid 4 Barp)?
Deze commissie is een andere commissie dan de Adviescommissie melding
voorgenomen reorganisatie. De reorganisatiecommissie bestaat uit drie
leden, waarvan één onafhankelijke/externe voorzitter. De commissie is
paritair samengesteld één van werkgeverszijde en één van werknemerszijde.
Zij beslist op een verzoek van een korps om, bij de aanwijzing van herplaatsingskandidaten,
af te mogen wijken van het anciënniteitbeginsel.
Wat is een passende
functie?
Het begrip passende functie is omschreven in artikel 55o van het
Barp.
Hoe zit het met het zogenaamde zorgcriterium voor de berekening
van het aantal overheidsdienstjaren, blijft dat gehandhaafd?
Ja,
art 55 l lid 2 Barp blijft gehandhaafd.
Kan een formatieve functie
ook een tijdelijke functie zijn?
Ja, dat kan.
Tot hoelang duurt de opschorting van het vervullen
van een vacature zoals in artikel 17 staat omschreven?
De duur is maximaal gesteld tot
het moment dat de voorlopige voorzieningenrechter in eerste aanleg
(Rechtbank) een uitspraak hierover heeft gedaan. Uiteraard is dit alleen
aan de orde als de ambtenaar ook gebruik maakt van deze rechtsmiddelen.
Het bevoegde gezag mag pas vacatures openstellen als al de (pre)herplaatsingskandidaten
zijn geplaatst. Hoe dient men dan om te gaan met diegene die terugkeren
vanuit een detachering?
In deze is van belang de afspraken die in de
detacheringsovereenkomst staan. Als de betrokken ambtenaar zijn oorspronkelijke
functie behoud of bij een bepaalde afdeling blijft horen dan dient
de vraag gesteld te worden of de betrokken ambtenaar al dan niet valt
binnen het reorganisatiegebied. Als de ambtenaar valt binnen het reorganisatiegebied,
dan dient ook zij meegenomen te worden in de reorganisatie (aanwijzing
functievolger of herplaatsingkandidaat). Als dit niet het geval is,
dan wijzigt er voor deze categorie niet iets. Ook nu is het al zo dat
men met de betrokken ambtenaar ruim voorafgaand aan het verstrijken
van de detacheringsperiode afspraken dient te maken rondom de terugkeer
in het korps van oorsprong. Hier wijzigt niet iets in. Het LSS gaat
hier verder ook niet op in.
Korpsen hebben vaak een matchingsbeleid
afgesproken vanaf schaal 9. Dit kan conflicteren met de openstelling
van vacatures en/of met de taken van het mobiliteitscentrum.
Het klopt
dat dit conflicteert. De afspraak zoals die is gemaakt in het LSS is
leidend. Dit betekent dat het matchingsbeleid dus zolang er (landelijk)
nog (pre)herplaatsingskandidaten zijn niet langer gehanteerd kan worden.
Moet een korps accepteren dat een (pre)herplaatsingskandidaat
van een ander korps de functie van een remplaçant invult, terwijl
het korps een vacaturestop heeft of zelf ook geschikte kandidaten
heeft?
Ja, dat zal een korps moeten accepteren. Dit is nl. een afspraak
die op landelijk niveau is gemaakt tussen werkgever en vakbonden.
Indien er sprake is van een reorganisatie dan is behoud van werkgelegenheid
een afspraak die is gemaakt, waarbij tevens de 'concerngedachte'
voorop heeft gestaan. Uiteraard dienen de criteria uit artikel 18
van het LSS gerespecteerd te worden. Overigens zijn de criteria uit
artikel 18 LSS ook opgenomen in het convenant dat getekend wordt/is
door de minister, de vakbonden en de korpsbeheerders.
Kan een passende functie
ook een tijdelijke functie zijn?
Een functie die een tijdelijk karakter
heeft kan niet aangemerkt worden als een passende functie, waarop een
herplaatsingskandidaat kan worden herplaatst.
In artikel 21 LSS, in combinatie met de toelichting daarop,
is bepaald dat een aantal flankerende voorzieningen een recht is en
dat een aantal voorzieningen op verzoek wordt toegepast. Vraag is wie
op het verzoek beslist.
Op het verzoek om toepassing van een voorziening wordt beslist door
het bevoegd gezag.
In een aantal artikelen van flankerend beleid (bijv. remplaçantenregeling)
wordt gesproken over “wordt”. In de toelichting over “kan”.
Dit klopt. Dit zal in de te publiceren teksten worden aangepast.
De berekeningsformule voor de vertrekstimuleringsregeling
in artikel 25 is niet helder. Gaarne de redactie hiervan herzien.
Het klopt dat dit niet echt helder is omschreven. Bij publicatie zal
dit worden aangepast.
De berekeningsbasis is het laatst genoten salaris plus vakantiegeld
plus eindejaarsuitkering. Dit is het ‘maandsalaris’ dat wordt uitgekeerd.
Hoeveel maal dit maandsalaris wordt uitgekeerd is afhankelijk van de
duur van het dienstverband bij de politie en het moment waarop de medewerker
vertrekt. Voor de duur tellen mee alle volledige maanden dienstverband
bij de politie, inclusief de jaren besteed aan de verzorging van 0-4
jarige kinderen (zie voor de exacte omschrijving van het zorgcriterium
artikel 55l, lid 2 Barp). Dus 47 maanden en 15 dagen tellen mee als
47 maanden. Voor de eerste 120 politiedienstmaanden geldt 1/12e maandsalaris
per dienstjaar, bij meer dienstmaanden geldt driekwart van 1/12e maandssalaris
per extra dienstmaand (boven de 120). Op de berekening wordt verder
nog een deeltijdfactor toegepast. Dat wil zeggen dat een maand waarin
bijvoorbeeld een aanstelling van 18 uren gold (50%) voor de helft meetelt.
Hierdoor is het effect van een vermindering van uren aan het eind van
de loopbaan beperkt.
Hoe zit het met eventuele samenloop van de terugkeergarantie
en de vertrekstimuleringspremie.
De samenloop van de terugkeergarantie en de vertrekstimuleringspremie
is in het LSS nog niet goed geregeld. In de regelgeving zal deze samenloop
zo worden uitgesloten dat een medewerker die gebruik maakt van de terugkeergarantie
geen vertrekstimuleringspremie kan ontvangen.
Wanneer is er sprake van ontslag nemen met
het oogmerk direct dan wel indirect…?
Is dat ook zo indien iemand een eigen bedrijf
begint en niet succesvol is na enige tijd en alsnog ouderdomspensioen
en/of bovenwettelijke uitkering aanvraagt? Art 25 lid 1. UWV heeft
een eigenstandige toetsing. Jurisprudentie heeft geleerd dat UWV ook
bij vrijwillig ontslag WW toekent!
Artikel 25 van het LSS (stimuleringspremie) schrijft niet voor wat
de ambtenaar na het ontslag feitelijk gaat doen. Dit is niet noodzakelijk.
Voor het geval er (snel) daarna een ouderdomspensioen wordt aangevraagd
is er een beperking opgenomen dat de premie nooit meer kan zijn dan
de bezoldiging tot aan de pensioengerechtigde leeftijd. Als er op termijn
een werkloosheidsuitkering wordt aangevraagd is het mogelijk dat het
UWV die toekent. Het gaat echter om een medewerker van wie door het
bevoegd gezag is vastgesteld dat er voor hem geen passende functie
meer beschikbaar zal zijn (artikel 25 lid 1 LSS). De stimuleringspremie
zal altijd lager zijn dan de doorbetaling van de bezoldiging tot aan
een mogelijk gedwongen ontslag. Als iemand een eigen bedrijf begint
en later alsnog een (bovenwettelijke) uitkering aanvraagt, dan zal
die niet toegekend worden, omdat zelfstandigen met een eigen bedrijf
geen werknemer zijn in de zin van de WW. Zij hebben bij beëindiging
van het bedrijf geen recht op een WW uitkering.
Als het gaat om een aanvraag van een bovenwettelijke uitkering zal
dat niet tot een toekenning leiden. De medewerker die op eigen verzoek
ontslag krijgt (artikel 87 Barp) is geen betrokkene in de zin van het
Besluit bovenwettelijk werkloosheidsuitkering politie (zie artikel
1 onder b van dat besluit). Een bovenwettelijke uitkering is dus niet
mogelijk na een ontslag op eigen verzoek.
Wat gebeurt er als het aantal extra kilometers door een nieuwe
verplaatsing weer afneemt?
Indien het aantal extra reiskilometers woonwerkverkeer ten gevolge van
een reorganisatie weer afneemt wordt als eerste de extra reiskostenvergoeding
(en de standaard reiskostenvergoeding) verminderd. Of de afname een gevolg
is van een wijziging van de werkplek of van een (vrijwillige) verhuizing
doet daarbij niet ter zake.
Waarom heeft de pre HPK geen recht op de voorzieningen genoemd
in artikel 26?
Artikel 26 is van toepassing bij een gedwongen verplaatsing. De pre-herplaatsingskandidaat
kan nooit gedwongen worden verplaatst in verband met die pre-status.
Het is daarom een zogenaamde kan-bepaling. De pre-herplaatsingskandidaat
kan verzoeken om toepassing van artikel 26, maar kan dit niet afdwingen.
Wanneer een medewerker vrijwillig verder weg gaat wonen na een
gedwongen verplaatsing op grond van reorganisatie, heeft die medewerker
dan recht op verhoging van de extra reiskostenvergoeding op basis van
het LSS?
De extra kilometers woon-werkverkeer waarover de extra vergoeding wordt
uitgekeerd worden bepaald aan de hand van de woonplaats van de medewerker
op het moment van de verplaatsing. Als de medewerker later vrijwillig
verder weg gaat wonen dan wordt de extra vergoeding op grond van het
LSS niet aangepast. De normale vergoeding op grond van het Brvvp wordt
wel aangepast.
Als iemand een vergoeding voor extra reiskosten krijgt en binnen
5 jaar opnieuw wordt verschoven, wordt er dan opnieuw een berekening
gemaakt?
Ja. Als een medewerker tijdens de looptijd van een toekenning extra
reiskosten opnieuw gedwongen verplaatst wordt en daardoor neemt de
reisafstand woon-werkverkeer opnieuw toe, dan wordt hiervoor een
nieuwe berekening gemaakt. De bestaande toekenning loopt door, lengte
en afbouw daarvan wijzigen niet, en daarnaast komt er een nieuwe
toekenning voor 5 jaar met afbouw op grond van de nieuwe toename
in kilometers. In de toelichting op artikel 26 LSS zijn verschillende
voorbeelden opgenomen die een en ander verduidelijken.
Graag toelichting op aanvulling extra reiskosten en wat is de
extra reisafstand?
De aanvulling extra reiskosten is van toepassing bij een gedwongen
verplaatsing in het kader van een reorganisatie. De aanvulling wordt
uitgekeerd voor iedere extra kilometer.
De woonplaats is A, de originele plaats van tewerkstelling
is B en de nieuwe plaats van tewerkstelling is C. De extra reisafstand
is dan het verschil in kilometers tussen AC en AB. Bijvoorbeeld:
Van A naar B is 25 kilometer
Van A naar C is 35 kilometer.
Het aantal extra kilometers is dan het verschil tussen AC en AB, dus
10 kilometer.
De aanvulling zorgt ervoor dat per extra kilometer een bedrag van €0,45
wordt vergoed. Hierbij geldt geen maximum aantal kilometers. De aanvulling
geldt voor 5 jaar en wordt in die periode aangevuld. Als de aanvulling €
0,30 is dan wordt in het eerste jaar € 0,30 uitgekeerd, in het tweede jaar
€ 0,24, in het derde jaar € 0,18, in het vierde jaar € 0,12 en in het vijfde
en laatste jaar € 0,06. De totale vergoeding per extra kilometer (inclusief
de standaard vergoeding van het Brvvp) loopt in dit voorbeeld dus terug
van € 0,45 in het eerste jaar tot € 0,21 in het laatste jaar.
(NB: in het rekenvoorbeeld is geen rekening gehouden met de wijziging
van de standaard vergoeding die de komende jaren wordt doorgevoerd.)
Bestaat de mogelijkheid dat iemand zich meldt als remplaçant (art
30 LSS) en dat daarbij een (pre-) hpk-er van een ander korps die functie
inneemt? En zo ja, hoe zit dat met de kosten?
Ja, dat kan. De remplaçantenregeling is niet beperkt tot het korps.
De kosten van het flankerend beleid zijn voor rekening van het korps
waar de remplacant vandaan komt. Dit dient op landelijk niveau het
behoud van werkgelegenheid en van kennis en het beperken van ww kosten
en sluit daarmee aan op de 1-concern gedachte. Wat betreft loonkosten
ontstaan overigens geen extra kosten omdat de remplaçantenregeling
alleen geldt in geval de medewerker op diens aanvraag ontslag wordt
verleend.
Wie zorgt voor een landelijke registratie van herplaatsingskandidaten?
Voor een goede werking van de remplaçantenregeling is registratie van
(pre)herplaatsingskandidaten noodzakelijk. Dit wordt een taak van het
nog in te richten Mobiliteitscentrum. In het Akkoord verlenging en
aanvulling Arbeidsvoorwaardenakkoord 2008-2010 (de packagedeal) zijn
op hoofdlijnen al afspraken gemaakt over de functionaliteit van het
Mobiliteitscentrum. De exacte invulling daarvan wordt nog nader bepaald.
OP grond van de afspraken op hoofdlijnen zal onder andere tot de
taken behoren het verzamelen en beheren van gegevens over vacatures
en over aanwijzingen als (pre)herplaatsingskandidaat, het verspreiden
van gegevens onder ambtenaren en korpsen en de voorselectie en voordracht
van (her)plaatsingskandidaten.
Wie registreert de ambtenaren die plaats willen maken met gebruik
van de remplaçantenregeling?
Ook deze taak worden neergelegd bij het nog in te richten Mobiliteitscentrum.
Artikel 31 biedt de mogelijkheid om ondanks het LIFO-systeem
jongeren voor de organisatie te behouden
Artikel 31 is bedoeld om gedwongen uitstroom van (pre)herplaatsingskandidaten
te voorkomen door hen te (her)plaatsen op de plek van een medewerker
die binnen korte tijd toch gaat vertrekken. Dit kan in allerlei situaties
voorkomen. Als een ambtenaar met een vergelijkbare of uitwisselbare
functie waarin boventalligheid voorkomt aangeeft gebruik te willen
maken van artikel 31, dan kan dit inderdaad van invloed op de uitkomst
die LIFO systeem geeft. Dit is geen bezwaar omdat het gebeurt op verzoek
van de medewerker die zijn plaats ‘ter beschikking stelt’.
Als een
medewerker op basis van art. 31 LSS een jaar niet werkt, telt dat jaar
dan mee voor de berekening van de stimuleringspremie?
Ja, dat telt mee. Alle jaren en gehele maanden in politiedienst tellen
hiervoor mee, dus ook de periode waarin een ontheffing van werkzaamheden
op grond van artikel 31 is gegeven.
Is het mogelijk iemand te ontheffen uit de werkzaamheden voorafgaande
aan de uittreding middels pensioen.
Ja, dat is mogelijk. Artikel 31 van het LSS stelt als eis dat er een
ontslagbesluit wordt genomen dat ingaat binnen 18 maanden.
Hoe zit het met eventuele samenloop van de terugkeergarantie
en de vertrekstimuleringspremie.
De samenloop van de terugkeergarantie en de vertrekstimuleringspremie
is in het LSS nog niet goed geregeld. In de regelgeving zal deze
samenloop zo worden uitgesloten dat een medewerker die gebruik maakt
van de terugkeergarantie geen vertrekstimuleringspremie kan ontvangen.
Kan een medewerker ook
vrijwillig terugkeren als hij een terugkeergarantie heeft, bijvoorbeeld
omdat de baan hem niet bevalt?
Nee, dat is niet de bedoeling. Het gaat om ontslag door de (nieuwe)
werkgever tijdens de proeftijd buiten eigen schuld of toedoen van de
medewerker. De voorziening is niet bedoeld om een nieuwe baan uit te
proberen, maar om een vangnet te creëren voor het geval er onverhoopt
een ontslag door de nieuwe werkgever tijdens de proeftijd volgt.
Geldt
de terugkeergarantie alleen voor (her) plaatsingskandidaten
Ja, de terugkeergarantie wordt op aanvraag gegeven aan de herplaatsingskandidaat
of pre-herplaatsingskandidaat aan wie op grond van artikel 87 Barp op eigen
verzoek ontslag wordt verleend. De term ‘ambtenaar’ in artikel 31 van het
LSS zal in de regelgeving in die zin worden gewijzigd.
Wanneer geldt het LSS als een reorganisatie al loopt en
waarop is het overgangbeleid van het LSS van toepassing?
Het overgangbeleid voor de procedurele voorschriften en de toepassing
van flankerend beleid verschilt. Het flankerend beleid is van toepassing
als de (her)plaatsingsbesluiten op grond van het definitief personeelplaatsingsplan
bekend zijn gemaakt op of na 2 maart 2010. De procedurele voorschriften
zijn op een lopende reorganisatie van toepassing als en voor zover
dat mogelijk is zonder ‘een stap terug te doen’. Als er bijvoorbeeld
nog geen concept personeelplaatsingsplan is vastgesteld, dan kunnen
de plaatsingsregels van het LSS nog toegepast worden. Als er echter
al voorgenomen besluiten verzonden zijn op basis van een afwijkende
procedure, dan kan dit niet hersteld worden zonder een stap terug te
doen. In dat geval zijn de voorschriften daarover in het LSS niet van
toepassing.
Mag je meer afspreken dan het LSS?
Het LSS bepaalt dat het niet is toegestaan om extra of aanvullend
flankerend beleid voor een bepaalde reorganisatie af te spreken
tenzij sprake is van bijzondere situatie (zoals een privatisering).
Ambtenaren die binnen het reorganisatiegebied vallen dienen altijd
behandeld te worden conform het LSS. In individuele gevallen kan
maatwerk mogelijk zijn, maar hier dient terughoudend mee om te
worden gegaan.
Met het LSS hangt samen wijzigingen regelgeving en het
sluiten van een uitvoeringsconvenant met de tussen BZK en korpsbeheerders
c.s.. Vraag is of de desbetreffende stukken voldoende met elkaar in
evenwicht zijn.
Ja, deze zijn met elkaar in evenwicht.
In de noordelijke regio’s is reorganisatie gaande voor de vorming
van een SSC. Het LSS vormt daarbij de basis. Wanneer is de regelgeving
naar aanleiding van het LSS formeel aangepast?
De inschatting is, dat een officiële publicatie van het LSS en van
de wijzigingen van het Barp, eind 2010 begin 2011 kunnen verwachten.
In het bijzonder het formaliseringstraject van de wijzigingen van het
Barp vraagt de nodige tijd.
Reiskosten staat bij flankerende maatregelen, waarom worden deze
afspraken geen onderdeel van het BRVVP?
Deze afspraken staan in verband met een reorganisatie. Het LSS geeft
een nadere uitwerking van hoofdstuk VIIB van het Barp. De voorziening
reiskosten wordt gezien als een van deze nadere uitwerkingen.
Onderstaande vraag en antwoord zijn op basis van geaccordeerd overleg tussen de minister van BZK en politievakorganisaties dd. 3 augustus 2010 en geldt voor de reorganisatie van SSC Noord en overigens alle andere reorganisaties bij de Nederlandse politie.
"Niet als passende functie wordt beschouwd:
d. indien de reistijd van en naar de werkplek van de functie meer dan drie uur per dag bedraagt, tenzij de gebruikelijke reistijd voor de herplaatsingkandidaat van en naar de plaats van tewerkstelling al meer dan drie uur per dag bedraagt."
In de toelichting op dit artikel staat het volgende vermeld:
‘’De reistijd dient afhankelijk van de omstandigheden beoordeeld te worden aan de hand van het meest geëigende vervoersmiddel. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de uitvoering van de Werkloosheidswet.’’
Naar aanleiding van de besprekingen over het LSS tussen de minister en de politievakorganisaties is gebleken dat de Werkloosheidswet geen aanknopingspunten biedt en gelet hierop zijn in het overleg van 3 augustus jl. de volgende afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn bindend voor zowel bevoegd gezag alsook de individuele ambtenaar en zullen te zijner tijd ook in de officiële regelgeving van het LSS opgenomen worden.
Het gaat erom dat van alle partijen een redelijke opstelling (redelijkheid en billijkheid) mag worden verwacht. Bovendien geldt voor de ambtenaar het niet onbelangrijke aandachtspunt dat bij gebreke van een passende functie, de aanwijzing kan volgen tot herplaatsingskandidaat. Het staat de ambtenaar vrij om een langere reisafstand dan drie uren per dag te accepteren, mits dit een volstrekt vrijwillige en weloverwogen keuze is geweest en voor zover niet onverantwoord is te achten.
Aandachtspunt indien sprake is van een voornemenbrief waarin de ambtenaar als functievolger is aangemerkt: het voornemen tot functievolger kan onder omstandigheden komen te vervallen, wanneer blijkt dat de reisafstand meer dan drie uren per dag gaat bedragen (berekening afhankelijk van persoonlijke omstandigheden; zie voorbeelden); dan kan nog blijken van een andere passende functie en in het uiterste geval volgt aanwijzing als herplaatsingskandidaat.
Een aantal voorbeelden ter verduidelijking: